Het is dinsdag 5 mei, Bevrijdingsdag. Het einde van de werkdag is bijna daar. Na een volle dag analyses en regelwerk voor diverse projecten, voel ik me als een leeggelopen ballon.
Terwijl ik bijna op het punt sta de laptop dicht te klappen om naar huis te gaan, komt een van de studenten de kamer binnenlopen: “Heb je die waarneming van porseleinhoen in Van Oordt’s Mersken al gezien?”.
Een maand geleden stond er inderdaad een waarneming uit dit Friese gebied online, maar toen wachtten we nog op de levering van de zenders en konden we niets doen. “Niet die oude waarneming, maar van gister!”
Snel open ik waarneming.nl. En ja hoor: een nieuw pinnetje, midden in het gebied dat ik praktisch als ‘mijn’ territorium beschouw. Een roepende vogel, waargenomen om één uur ’s nachts. De melding is blijkbaar door het systeem geglipt waarmee we automatisch notificaties van porseleinhoenwaarnemingen krijgen. Er is inmiddels alweer een nacht verstreken.
Twijfel. De komende twee dagen zou ik in de Oostvaardersplassen zitten voor broedvogelkarteringen, dus als we een kans willen maken om deze vogel te vangen, moet het vanavond gebeuren. Tegelijkertijd is er alweer een nacht verstreken sinds de waarneming is ingevoerd: een eeuwigheid voor deze soort, die soms maar enkele nachten op een locatie roept. Ik probeer de waarnemer te bellen voor meer details, maar krijg geen gehoor. Omdat het laat is en we ook nog toestemming van de terreineigenaar nodig hebben, laat ik de studenten weten dat ze gerust naar huis kunnen gaan.
Dan gaat mijn telefoon. De waarnemer belt terug. Hij vertelt dat het porseleinhoen met tussenpozen losse roepjes ten gehore bracht, maar wel consequent doorging met roepen. Op basis van de plek en het gedrag zou het volgens hem weleens om hetzelfde individu kunnen gaan als dat hij daar een maand eerder had waargenomen (de waarneming waar we destijds niet op konden reageren). Deze beschrijving van de waarnemer, die duidelijk ervaring met de soort heeft, doet mij besluiten toch een poging te doen om halsoverkop de terreineigenaar te benaderen. Gelukkig neemt deze bij de eerste poging de telefoon op. Een week eerder had ik hem toevallig al verteld over ons onderzoek naar porseleinhoentjes, en het idee dat we meer over deze mysterieuze soort zouden kunnen leren werd meteen enthousiast ontvangen. We zijn er snel uit: deze kans moeten we grijpen.
Terwijl mijn collega’s na hun werkdag huiswaarts gaan, loop ik met telefoon aan het oor en vangkooien, waadpakken, zaklampen en andere apparatuur onder de arm op en neer om de auto in te laden. Collega Jelle blijkt die avond tijd te hebben. We spreken voor zonsondergang af bij de locatie van de waarneming.
Het Natura 2000-gebied Van Oordt’s Mersken ligt op de overgang van zandgrond naar laagveen. Aan de oostkant ligt een droge zandkop met heide en vliegdennen, terwijl het westelijke deel bestaat uit open terrein met drassige hooilanden en rietkragen. Juist dat contrast maakt het gebied bijzonder. Sinds 2017 kom ik hier met regelmaat, sommige jaren bijna dagelijks, voor onderzoek aan rietzangers. Hierdoor heb ik een bijzondere binding met dit gebied gekregen.
Vanaf de slagboom waar we hebben afgesproken, rijden we een stukje over een zandpad en parkeren de auto onder een laan met oude eiken. Daarna lopen we verder richting het drassige perceel waar het porseleinhoen is gehoord. Dit natte hooiland met liesgras en hoge zegges wordt aan de ene kant omsloten door wilgenstruweel en grenst aan de andere kant aan het open beekdal van het Koningsdiep. Een plek waar je je qua landschap bijna in Polen waant.
“Je zou hier ook zomaar een wolf verwachten”, hoor ik Jelle zeggen, terwijl we in de schemer wachten op de eerste roepjes van het porseleinhoen. Hij heeft de woorden nog niet uitgesproken, of ons oog valt tegelijk op een pluk vacht die uit de zegges in de slootkant steekt. Het blijkt een kaalgevreten ree. “Dat zou zomaar eens kunnen ja”, reageer ik, terwijl we verbaasd door dit toeval in de lach schieten.

Vanaf een open plas in het midden van het perceel horen we de schelle roep van een bosruiter terwijl een zomertaling met zijn droge krakende roep voorbijvliegt. Plotseling horen we een aantal vogels pal langs ons heen suizen en voor ons op de plas landen. De silhouetten zijn lastig te onderscheiden tegen de steeds donkerdere lucht, maar het gefluit vanaf de plas maakt duidelijk dat het om regenwulpen gaat.

Naarmate de duisternis verder invalt, begin ik een beetje ongeduldig te worden. Het porseleinhoen laat zich niet horen. We besluiten om maar alvast onze waadpakken aan te trekken, voor het geval het porseleinhoen zich nog wel laat horen. Terwijl we teruglopen naar de auto verraadt geritsel tussen de bomen de aanwezigheid van grote dieren buiten ons zicht. “Daar zullen we de wolven hebben” grapt Jelle.
“Stil eens!”, zegt hij plotseling op ernstigere toon. En dan horen we het: luid en duidelijk klinken daar de roepjes van een porseleinhoen tussen de bomen door, uit de richting waar we net vandaan komen.
Snel pakken we de vangmaterialen en lopen terug naar het grasland. Door de drassige vegetatie banen we ons een weg richting het geluid. Een dichtgegroeide sloot blijkt nog maar net oversteekbaar. Aan de overkant komt het geluid uit een dicht vlak van hoge zeggen. Wanneer we tot op enkele meters genaderd zijn, zet ik de zaklamp aan. In een flits zien we de vogel tussen de zeggepollen verdwijnen. Daarna blijft hij verborgen tussen de pollen. Met de slechte ervaring van de zaklampmethode in dichte vegetatie nog vers in het geheugen, besluiten we snel over te schakelen op inloopkooien.
Maar de vogel blijft roepen zonder de kooien te benaderen. Pas wanneer we voorzichtig teruglopen naar de opstelling, vliegt hij voor ons uit naar een opener stuk met liesgras. Dit is onze kans!
We lopen snel richting de roepende vogel, maar die verplaatst zich naar een dichte wilgenstruik. Dan speelt Jelle kort een paar roepjes af op zijn telefoon. Meteen komt het porseleinhoen dichterbij. We schakelen snel. Jelle gaat met het geluid in het midden van de open plek staan, terwijl ik met de zaklamp tussen hem en de vogel plaatsneem. Gehurkt tussen het liesgras hoor ik zacht geplons. De vogel sluipt door het water onze kant op.

Ik wacht.
Nog dichterbij.
Dan floep ik de zaklamp aan. Daar sta ik dan. Oog in oog met het porseleinhoen. Ik moet nog twee stappen zetten om de vogel binnen bereik te krijgen.
Als een koorddanser plaats ik heel voorzichtig de ene voet voor de ander. De vogel kijkt om zich heen, ogenschijnlijk op zoek naar een uitweg, maar blijft nog even besluiteloos in de lichtbundel staan. Het volgende moment gaat de dag maken of breken…
Ik haal uit.
Hebbes!

Als eerbetoon aan professor Gregorius Johannes van Oordt, de ornitholoog waarna dit gebied is vernoemd, noemen we hem ‘Greg’. De zenderdata laat voorlopig zien dat het om een honkvast mannetje gaat. Waar Mattea uiteindelijk richting Oost-Europa trok, lijkt Greg voorlopig tevreden met zijn eigen kleine stukje Polen, verborgen in Friesland.
Maar of dat genoeg is om hem hier een heel seizoen te houden, zal de tijd moeten uitwijzen…

Wender Bil
Ben je teller of actief in het veld in Friesland, Groningen, Drenthe of Flevoland? Geef je waarnemingen door en draag direct bij aan dit onderzoek!
Heb je onze vorige blogposts al gelezen? Je vindt ze hier.